De Gazette

Luc De Vos, of hoe zotheid weemoed werd

Afscheid van Luc De Vos, de stem van 't Refugelied


Luc De Vos, of hoe zotheid weemoed werd


'En als we het nu eens aan Luc De Vos zouden vragen?' zei Patrick Van Hecke ineens. Daar werd ik even stil van. De directeur van De Refuge heeft wel vaker uitbundige ideeën, maar dit idee (dat hij, zo bleek even later, op de personeelsdienst bij Isabel opgevangen had) leek me te gek om los te lopen. Luc De Vos mag dan wel een pretentieloze gast gebleven zijn, maar in zijn vak is hij een professional en je vraagt toch niet aan een professional om zoiets maf als een Refugelied te componeren, dacht ik, te meer omdat het lied alleen voor particulier gebruik bestemd was. Het was alsof je aan een doorgewinterde autoconstructeur zou vragen om een trottinet te ontwerpen, een trottinet die dan nog niet eens verkocht zou worden.

*

Hoe dan ook, het was duidelijk dat we er op mijn manier niet uit zouden raken. Wekenlang al was ik tussen de soep en de patatten aan het knutselen met woorden en melodieën, maar telkens weer moest ik vaststellen dat ik jammerlijk  faalde in het combineren van de twee. Ofwel stonden de woorden niet op hun plaats, ofwel sloeg de muziek erop als een tang op een varken. Mijn loopbaan als liedjesmaker was duidelijk voorbij, ze was zelfs niet eens begonnen. Kortom, de vraag van de directeur kwam voor mij niet alleen als een complete verrassing, maar meteen ook als een bevrijding. 'Het is 't proberen waard', zei ik, 'ik zal contact opnemen met Luc.' 

'Ik zou je eens kort willen spreken,' schreef ik hem in een mail, 'in hooguit een halfuur zijn we rond - in verband met een projectje waaraan we eventueel samen enige vreugde kunnen beleven. Volgende week ziet er voorlopig nogal maagdelijk uit voor mij. Als jij een gaatje vindt, zeg me dan waar en wanneer je mij wilt aanhoren.' 

En zo gebeurde. 

Luc, die ik al langer dan vandaag op aimabele afstand kende, reageerde meteen: 'Maandag om 11h, OK? Bij me thuis of in de Vooruit of zo.' Ik koos voor z'n thuis, in de Ossenstraat, en liet weten dat hij bij de koffie voor mij melk noch suiker moest voorzien. Enkele dagen later was de kogel door de kerk. Hij ging akkoord om samen te werken. 'Maak jij eerst maar een tekst', zei hij, 'dan zien we wel of er muziek in zit.'

Nu ik van de noten bevrijd was, kostte het zoeken naar de woorden me nauwelijks nog moeite. Ik maakte een klein schema over wat ik in elke strofe wilde vertellen, sleutelde tussendoor aan een refreintje, en voilà, weinige dagen later al lagen de woorden netjes en in rijm verpakt te verlangen naar de noten. Luc liet me nog twee keer langskomen om enkele puntjes op de i te zetten en me de muziek te laten voorproeven. We bleken allebei ferm content over elkanders werk, het Refugelied was geboren. En toen het liedje even later door Luc zelf ook op cd was gezet, kon de pret niet meer op. Directeur Van Hecke was in de wolken en liet het plaatje als eindejaarscadeau verdelen onder het personeel en de bewoners van De Refuge. 

Pas nu, ergens begin 2015, zouden we met Luc en zijn manager nog eens aan tafel gaan. In een restaurant dit keer. Om Luc te danken voor zijn heerlijke bijdrage aan het Refugelied en om, wie weet, misschien ook nieuwe plannen te smeden. 

Maar Luc verdween. Plots.

Hij verhuisde.

Door duizenden achterna gezwaaid verhuisde hij naar de aarde van het Campo Santo. Waar ik hem binnenkort, in de stilte na de storm van het afscheid, zal gaan groeten en hem nog eens van op m'n smartphone een strofe van 't Refugelied zal laten horen. Een zot liedje, dat achter zijn stem en zijn noten ineens ook een weemoedig lied is geworden.


Laurens De Keyzer