Een column

Column

Juli 1947 was een buitengewoon hete maand. Ik geloof het op gezag van mijn moeder, die zich de dag van mijn geboorte – in de toenmalige Gentse kraamkliniek Toevlucht van Maria – om vooral drie redenen nog haarscherp herinnert. Eén: omdat ze toen van haar eerste kind beviel. Twee: omdat het die dag ondraaglijk warm was (als ze daarover spreekt, bespeurt ze nog altijd de neiging om lichtere kledij aan te trekken). Drie: omdat ze enkele uren na de bevalling een onvergetelijke visite kreeg van een van de toen nog vele zusters die in de kliniek de dienst uitmaakten.

Ze wilde niet storen, zei ze, ze kwam alleen een keer uit nieuwsgierigheid naar de baby kijken. Niet geheel onbegrijpelijk, want de baby was verwekt door de jongste broer van mijn nonkel pastoor, die toen de geestelijke vader was van de materniteit waar ik het levenslicht mocht aanschouwen. De nieuwsgierige non boog zich over het bedje waarin ik mijn eerste wereldse tukje deed, keek toen naar mijn moeder, en zei: 'Wat een prachtig jongetje, mevrouw. Toch erg dat een mens voor zoiets schoons een zo zware zonde moet doen.'

Dat van dat prachtige jongetje was flagrant gelogen. Niemand, behalve mijn door blijdschap verblinde vader, kon me later in eer en geweten bevestigen dat ik in mijn eerste levensdagen een mooie baby was, wel integendeel. Van de tweede opmerking van de non echter is mijn moeder een tijdlang niet te best geweest. Haar man waagde ze het toen niet te vertellen. Ze kende de mate waarin hij onrecht met gedonder placht te vergelden. Maar ze vergat het nooit meer. Al verhinderde een en ander haar niet om binnen de vijf jaar nog vier kinderen ter wereld te brengen, samen goed voor op zijn minst nog vier zware zonden.

*

Wat ik hierboven vertel, staat op de eerste bladzijde van mijn boek Wees gegroet Maria, een rondgang langs Mariaoorden in België, Nederland en Duitsland, in 1997 gepubliceerd door Icarus, een imprint van Standaard Uitgeverij.

Even voor haar dood, in datzelfde jaar '97, had ik tante Clara, een zus van wijlen mijn vader, het verhaal verteld. Ze had het al meer dan eens gehoord, zei ze, en ze schoot er nog altijd van in de lach. 'Zulke nonnetjes bestaan al lang niet meer', zei ze. En zij kon het weten, tante Clara, want ze was zelf een non.

De tijd waarin paters en nonnen de voortplanting als een noodzakelijk kwaad beschouwden, is inderdaad al lang voorbij. En dat oude nonnetje van toen is intussen ook al lang in de hemel, al vermoed ik dat ze daar toch ernstig berispt werd door de heilige Bernardus en misschien zelfs een week of twee vagevuur kreeg omwille van haar ongepaste commentaar bij de geboorte van dat 'prachtige jongetje'.

*

Enkele decennia na mijn geboorte ging de kraamkliniek aan de Coupure dicht. Toen ik het hoorde, speet het me dat ik er niet eens gezocht had naar mijn geboortekamer. Dan had ik er een foto van genomen en er de geuren van opgespaard in mijn geheugen. Helaas, de kamer is verdwenen, de baby's zijn weg, en op de plek waar ik geboren ben leven en sterven nu oude mensen.

Maar, om het met Johan Cruijff te zeggen: 'Elk nadeel heb z'n voordeel.' Want nu opent zich voor mij een niet onaardig toekomstperspectief. Als ik me tijdig op de wachtlijst van De Refuge laat inschrijven, bestaat namelijk een goeie kans dat ik zou kunnen sterven op precies de plek waar ik geboren ben. Dat heeft wel iets, vind ik, iets om naar uit te kijken. Alsof je aan het eind van je leven na een lange tocht terugkeert naar de Heimat, om daar de rust terug te vinden die je geest zich nog herinnert van de tijd dat je in de buik van je moeder woonde.

En aangezien alles en iedereen gemaakt is uit sterrenstof en we tot datzelfde stof wederkeren, lijkt het me ook een mooie en weemoedige gedachte als ze mijn resten in stof en as dan zouden verstrooien in de Coupure. Dan is de cirkel rond. En op mijn doodsprentje kunnen ze dan schrijven:

Laurens De Keyzer
1947-20**

Geboren en gestorven in De Refuge,
 
alsof hij er nooit is weg geweest.